Gezocht: getalenteerde essayisten voor de Joost Zwagerman-essayprijs

Dit jaar zal op 18 november, de verjaardag van Joost Zwagerman (1963-2015) voor het eerst de Joost Zwagerman Essayprijs worden uitgereikt. Deze prijs is een initiatief van de Van Bijlevelt-stichting en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, uitgevoerd in samenwerking met de erven van Joost Zwagerman. De uitreiking vindt plaats in Alkmaar, waar die dag ook de Joost Zwagerman Lezing zal worden uitgesproken.

De prijs van € 7500 is bedoeld voor ‘aanstormend talent’: schrijvers die nog niet in boekvorm hebben gepubliceerd en geen vaste positie hebben in de media.

Het onderwerp van het essay is geheel vrij, de aanpak ook. Wetenschappelijke artikelen, onderzoeksverslagen en scripties worden niet als essays beschouwd, verhalend proza evenmin. Het maximum aantal woorden is 3000. Het essay moet onder eigen naam geschreven zijn.

De inzendingstermijn sluit op 30 juni 2018. De jury – Barber van de Pol, Maria Vlaar, Joost de Vries en Aleid Truijens (voorzitter) – kiest één winnaar en zal zich inspannen om het essay geplaatst te krijgen in een toonaangevend medium.

Inzendingen kunnen gemaild naar het secretariaat van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, mnl@library.leidenuniv.nl, ter attentie van Barber van de Pol.

Peter Meijer over financiële APK voor auteurs

Hoe ziet mijn financiële situatie er uit? Hoe zit het mijn pensioen? Dit zijn vragen die mensen vaak voor zich uit schuiven, ook schrijvers en vertalers. Om hier inzicht in te krijgen kunnen leden van de Auteursbond bij het P.C. Boutensfonds een financiële APK aanvragen.

De financiële APK is mogelijk vanaf €300. Ontvang persoonlijk professioneel advies op maat van een zelfstandig adviseur. Korting kan oplopen tot €1000.

Een van de adviseurs is Peter Meijer. In de Starbucks op Amersfoort Centraal vertelt hij over de praktijk van zijn werk. ‘Pensioen is voor velen een ver van hun bed show. Je krijgt soms een overzicht met getallen waarvan je zelf maar wat moet maken. Mijn taak is om het inzichtelijk en begrijpelijk te maken en er structuur in aan te brengen. Daarbij heb ik geen secundair belang. Ik geef advies, maar verkoop geen producten.’

Schrijvers en vertalers

‘De afgelopen jaren is er druk gekomen op veel subsidie voorzieningen, wat het een stuk uitdagender maakt om als schrijver je inkomen te realiseren. Terwijl mensen in loondienst standaard een aantal voorzieningen hebben, moet je als zelfstandige daar zelf voor zorgen. Dat zijn allemaal aandachtspunten bij de financiële APK. De meeste mensen hebben wel een beetje een idee hoe hun financiële situatie er uit ziet. Het is verstandig om af en toe dat eens in kaart te brengen, ook om op tijd te kunnen ingrijpen of voorzieningen te treffen.’

Praktische adviezen

‘Een financiële APK geeft inzicht in je situatie en is een klankbord voor hoe je bepaalde dingen kan aanpakken. Op een aantal punten kunnen er adviezen uitkomen, over je hypotheekrente of hoeveel je opzij zou willen leggen voor je pensioen of de studie van je kinderen. Ik merk dat het vooral een stuk duidelijkheid geeft. De uitdaging voor mij ligt bij het inzichtelijk maken van die materie. Ik werk veel met grafieken, omdat daarmee duidelijk is te laten zien hoe iets werkt. Dat gaat vaak beter dan met veel cijfers.’

Schoenendozen met administratie

‘Ik kom altijd bij de mensen thuis. Stel dat er nog iets moet worden opgezocht, dan kan dat makkelijker als je thuis bent. Maar ook heb ik het idee dat ze het plezierig vinden om alle zaken thuis te bespreken. Op een bankkantoor is een andere sfeer. Een gesprek aan de keukentafel maakt het persoonlijker. Voordat we aan de slag gaan moeten er bepaalde stukken worden aangeleverd. Dus dat dwingt mensen wel om uit hun spreekwoordelijke schoenendoos vol stukken goed te sorteren.’

Jonge auteurs

‘Ik denk ook dat voor jonge schrijvers die aan het begin van hun carrière staan, het goed is om hun financiële situatie op een rijtje te zetten, doelstellingen te formuleren, en te kijken hoe je daar komt. Hoe eerder je begint met kleine bedragen aan de kant te zetten, hoe langer je de tijd hebt een voorziening op te bouwen. Daar heb je later profijt van. Jonge mensen die tegenwoordig een woning willen kopen, moeten bijvoorbeeld veel meer eigen geld inbrengen. Als je weet wat je wil, is het goed om daar al geld voor te reserveren.’

Verrassende resultaten

‘Ik heb wel eens gewerkt met iemand die vlak voor zijn pensionering zat, en die zei, “Ik weet dat ik straks heel veel minder inkomsten krijg, maar zet het nou maar op papier, zodat het inzichtelijk wordt.” Daar komt dan geen positief plaatje uit, maar dat geeft wel goed inzicht in hoeveel er te besteden is. Maar ik kom ook wel eens situaties tegen waar mensen onnodig heel zuinig leven. Zo’n overzicht geeft ze het inzicht dat ze straks veel ruimer kunnen leven dan ze dachten.

Drijfveren

‘Ik probeer om het financiële oerwoud – om het zomaar te noemen – zo eenvoudig mogelijk in kaart te brengen, zodat ze kunnen zeggen, “Dat was eerst ingewikkeld, maar het is nu een stuk duidelijker geworden.” Daar haal ik mijn energie uit. Ik kom uit het bankwezen. Dan heb je klanten uit een hele andere hoek. Het leuke vind ik dat jullie beroepsgroep heel veel verschillende dingen doet. De een schrijft boeken, de ander vertaalt boeken, je hebt radiomakers en documentairemakers. Er is een hele grote variatie. ‘

Lees meer op financieleapk.info.

 

Terugblik 2017

De Sectie Educatieve Auteurs binnen de Auteursbond blikt terug op een buitengewoon succesvol jaar. Absoluut hoogtepunt was zaterdag 11 november: De Dag van de Educatieve Auteur. Bijna honderd educatieve auteurs verzamelden zich in Amersfoort, een ongekend succes voor deze eerste editie. En nog veel fijner: de reacties waren lovend. Het LinkedIn bericht na afloop werd meer dan 2000 keer bekeken en leverde reacties op als “Volgende keer ben ik er ook bij!”. ”De Dag” had dan ook een hoog niveau: de keynote lezing van professor Paul Kirschner, het cabaret van Johan Goossens, de workshops van doorgewinterde collega’s en experts.

Met de instelling en uitreiking van de Educatieve Parel hebben we de aandacht in brede zin gevestigd op ons belang als verzorgers van onderwijscontent met kwaliteit. Niet alleen met hun ingezonden werk, maar ook als collega vormen de drie winnaars pareltjes voor onze beroepsgroep. Hun CV’s laten zien dat educatief schrijven meer is dan les-en leerboeken vullen.

Voorgaande jaren merkten we dat maar weinig leden naar onze bijeenkomsten kwamen, dus besloten we zelf het land in te gaan. De regiobijeenkomsten werden druk bezocht. Fijn dat ook veel niet-leden de weg wisten te vinden. Het informele karakter van de bijeenkomsten bood een goede basis om van gedachten te wisselen over al wat leeft in ons metier.

Verder hebben we ons nieuwsbulletin in 2017 weer meer leven ingeblazen. Er kwam een nieuwe naam, “EduSchrift”, en de frequentie werd opgevoerd. Met enkele vaste columns en relevant nieuws hopen we dat leden uitkijken naar een volgende editie. In 2018 gaan we overigens verder met het uitbouwen van het bulletin, opdat we nog een groter bereik krijgen.

Ondertussen heeft onze onvolprezen Annemarie van Toorn als jurist met als specialiteit educatieve uitgaven binnen de Auteursbond weer veel leden met raad en daad terzijde gestaan. Ons vakgebied en de contractpraktijk daar omheen is volop in beweging, het organiseren van onze collectieve belangen is meer dan noodzakelijk geworden! Dat doen we dan ook op tal van platformen. Onze bestuursleden hebben niet alleen zitting in de Sectie van de Auteursbond, maar ook in tal van andere belangrijke besturen.

Tenslotte: het jaar 2017 was ook het eerste jaar van de Auteursbond. De verdere samenballing van de losse verenigingen onder de paraplu van de oude VS&V heeft een ongekend krachtige uitstraling opgeleverd, vooral naar buiten toe, maar ook als lid mag je fier zijn op de vermelding “Ik ben lid van De Auteursbond”!

Namens het bestuur van de Auteursbond, de sectie Educatieve Auteurs wens ik alle leden van onze sectie een succesvol 2018 toe!

Arend Pottjegort

Voorzitter Sectie Educatieve Auteurs, Auteursbond

Tel jij nog mee bij digitaal hergebruik?

Steeds meer content verschijnt digitaal. Groot voordeel is dat de inhoud gemakkelijk aangepast kan worden. Het komt voor dat het oorspronkelijke werk, jouw werk,  bewerkt wordt door anderen. Hoe verhoudt zich dit tot de vergoeding? Heb je ooit een eenmalig bedrag voor jouw bijdrage gekregen, dan is er in principe geen probleem, mits daarin rekening gehouden is met hergebruik. Maar wat als je een contract hebt op basis van licentie of royalty’s?

Nu uitgevers digitaal leermateriaal voortdurend (laten) herzien is het klassieke begrip ‘herziening’ in het auteurscontract achterhaald. Daarbij doet zich een aantal problemen voor: Waar auteurs in het verleden betrokken waren bij hergebruik van hun materiaal, worden zij in een digitale leeromgeving soms/vaak gepasseerd als hun materiaal wordt aangepast. Het oorspronkelijke materiaal gaat op in een grote digitale omgeving waardoor het onduidelijk wordt wie de eigenaar is van het werk en wat de verhouding is van jouw aandeel daarin.

De GEU werkt aan een herdefiniëring van het begrip ’herziening’ in het modelcontract en sommige uitgevers passen nieuwe contracten reeds aan. Bij de juridische afdeling van de Auteursbond zijn de eerste vragen hierover binnengekomen.

Als Auteursbond willen we zelf ook actief meedenken hoe er het best kan worden omgegaan met herzieningen. Daarom vragen we jou als auteur om input. Waar wij benieuwd naar zijn is:

  1. Hoe lost jouw uitgever de vergoeding voor herziening en hergebruik van jouw content op?
  2. Heb jij een suggestie hoe de vergoeding voor herzieningen eerlijk geregeld kan worden?
  3. In hoeverre hecht jij er aan dat je betrokken blijft bij en zicht houdt op herziening van jouw werk?
  4. Zou jij willen deelnemen aan een denktank over dit onderwerp?

Laat ons je mening en ideeën weten door te reageren op onze LinkedIn pagina, of stuur je reactie naar annemarie.vantoorn@auteursbond.nl of kom naar de netwerkborrel op donderdag 8 februari tijdens de IPON-beurs vanaf 16.00 uur in Zeyn (tegenover de Jaarbeurs) in Utrecht.

Uit de Auteursbond

Tweeduizendzeventien gaat de geschiedenis in als het geboortejaar van de Auteursbond. En zoals bij de meeste geboortes ging die van de bond niet vanzelf. De nieuwe structuur van de vereniging moest zich ‘zetten’. Het was voor alle geledingen – de secties, het bestuur, de  adviesraad, de algemene ledenvergadering – zoeken naar de eigen rol en die van elkaar. In dat proces is veel tijd en energie gaan zitten. Ook in de zes vergaderingen van het Auteursbondbestuur was dat het geval. Al snel bleek dat twee uur vergadertijd onvoldoende was om de vele agendapunten te kunnen behandelen en werd er standaard een uur aan vastgeplakt.

Daarnaast kwam in de loop van het jaar het verenigingsbureau in zijn afgeslankte vorm (het aantal fte is omlaag gegaan) behoorlijk onder druk te staan. Niet in de laatste plaats houdt dit verband met de wijd uiteenlopende juridische (met name auteursrechtelijke) discussies en belangen binnen en buiten de vereniging en de overlegorganen die zich daarmee bezighouden. Er wordt op veel borden geschaakt: over de haperende uitbetaling van reprorechten aan educatieve auteurs, over de leenrechtvergoeding voor auteurs van kinderboeken en (literaire) fictie, over de vergoedingen uit digitale abonnements- en uitleenmodellen, over vergoedingen voor vertalers en ondertitelaars, en last not least over de vergoedingen voor digitaal hergebruik van artikelen geschreven door freelance journalisten. Veel tijd is door bestuur en bureau gestoken in strategisch overleg met de NVJ en LIRA over de vernieuwing van het LIRA-aansluitingscontract.

Er is, kortom, genoeg laken voor de schaar. Wat ons daarbij voortstuwt zijn natuurlijk de lichtpuntjes en successen. Het ledental van de vereniging ging over de 1.500 en blijft gestaag groeien mede dankzij inspanningen voor ledenwerving. In de loop van het komend jaar sluit zich mogelijk een heel genootschap bij de bond aan als nieuwe sectie. Dankzij de inspanningen van directeur Jan Hilbers is er extern budget geworven voor scholing/cursussen. Het omzetten ervan naar concrete activiteiten staat hoog op de agenda. In Den Haag staat het onderwerp ‘inkomenspositie van auteurs’ mede naar aanleiding van door ons geëntameerde onderzoeken op de beleidsagenda en groeien we uit tot een vanzelfsprekende gesprekspartner in aangelegenheden die de wereld van het gedrukte woord betreffen. Penningmeester Wim Jurg heeft samen met het bureau hard gewerkt aan de samenvoeging van de prijzenfondsen (Charlotte Köhler en Elly Jaffé) waardoor het eenvoudiger wordt om in de toekomst andere fondsen en legaten op te nemen. En erg positief was voor de bond de succesvolle Dag van de Educatieve Auteur in Amersfoort, een initiatief van de sectie Educatieve Auteurs dat – ook in de overige secties – navolging verdient.

Frank Huysmans

 

Wachten op royalty’s: column Marc ter Horst

Ieder jaar rond deze tijd is het weer hetzelfde liedje. De vakantieplannen borrelen op en we hebben geen idee hoe ver we kunnen gaan. Wacht maar tot eind maart zeg ik dan tegen de brave loonarbeider bij ons in huis. Die weet precies hoeveel ze te besteden heeft en kan niet wachten om met de voorpret te beginnen. Maar welke voorpret? Drie weken met de tent naar Spanje of vier weken luxe hotels in Indonesië? Dat weet je pas als de enveloppen met royalty’s door de brievenbus vallen.

Er is geen post waar ik reikhalzender naar uitkijk. Het is bijna als de trekking van de loterij. Want ik kan wel een klein beetje inschatten welk bedrag er onder aan de streep staat, maar de marge die ik moet nemen is minimaal goed voor vier tickets naar Bali. Zonder vroegboekkorting, want die kunnen we tegen die tijd wel shaken.

Je vraagt je af wat ze doen daar op de uitgeverij, tussen kerst en eind maart. Alle verkoopcijfers zijn binnen, de punten en de percentages staan ongetwijfeld in de computer. Niets staat ze in de weg om mij nog voor Driekoningen een fantastisch bedrag te beloven waarvan we drie keer de wereld rond kunnen. Maar ik weet wel wat ze doen.

Ze schuimen het hele internet af op zoek naar de beste deals voor de zomer- en meivakantie. Pas als iedereen heeft geboekt gaat er een seintje naar de postkamer: stuur de royalty-overzichten maar op. Zodat wij, arme auteurs, de duurste vliegtickets krijgen. Maar hoor je mij klagen? Welnee. De afgelopen jaren ben ik één keer naar Bali geweest. Dankzij de rest van de royalty’s kon ik al vijf kinderboeken schrijven. De nieuwste gaat over het klimaat, dus voorlopig mag ik van mijn geweten toch niet meer vliegen. En Spanje is ook leuk.

Maak kennis met een collega: Geeke Bruin-Muurling

 

Naam: Geeke Bruin-Muurling
Educatief auteur sinds: 2002
Status: fulltime
Specialisatie: rekenen en wiskunde
Website: www.bruin-muurling.nl

Geloof in onderwijs

Wie je bent en waar je in gelooft, bepalen in grote mate wat je doet, althans zo voelt dat voor mij.

Ik geloof in onderwijs vanuit het hart, met oog en liefde voor elkaar, ondersteund door (wetenschappelijke) kennis en ervaring. Ik geloof in ruimte voor zelfstandig en kritisch denken voor zowel docenten als leerlingen. Ik geloof in de geweldige dingen die docenten en leerlingen daarmee kunnen bereiken. En ik geloof daarbij in de kracht en schoonheid van wiskunde.

Zoals eenieder ben ik gevormd door opleiding en rollen die ik heb (gehad). Zoals mijn studie toegepaste wiskunde, werk als cryptograaf en promotie in de vakdidactiek. En in de rollen van docent, lerarenopleider en begeleider, moeder, hoofdauteur, wetenschapper, schrijver en spreker.

Wat ik doe is als zelfstandig ondernemer werken aan de toekomst van het (wiskunde)onderwijs. Een onderdeel daarvan is het maken van lesmateriaal als educatief auteur.

Educatief auteur/redacteur worden

Na mijn studie werkte ik als cryptograaf bij een it-bedrijf. Het onderwijsbloed (van beide kanten meegekregen) kroop waar het niet gaan kon, en ik begon in mijn vrije tijd als vrijwilliger mee te werken aan het platform Wisfaq. Het laten zien wat je met wiskunde kunt doen, wat wiskundig denken is en wat de essentie is van een onderwerp vond ik zó leuk dat ik een open sollicitatie stuurde naar een aantal uitgevers. Bij Zwijsen vond ik mijn plek en dacht en schreef ik mee aan de eerste Rekentijgerboekjes. Tijdens mijn promotie stond het educatieve auteurschap even stil, maar dat heb ik daarna weer opgepakt. Nu met nog meer vakdidactische bagage en een sterke visie op onderwijs.

 Spreiding van doelgroepen

De doorlopende leerlijn en samenhang in het onderwijs is voor mij een belangrijke drive. Om die reden probeer ik in de projecten die ik oppak een spreiding te zoeken in onderwijstypen en in doelgroepen. Als hoofdauteur werk ik in het PO en VO zowel voor leerlingen die rekenen of wiskunde lastig vinden als ook voor leerlingen die van nature meer met het vak hebben of hoogbegaafd zijn.

Teamwerk

Educatieve producten maak je nooit alleen, ik prijs mij gelukkig tot nu toe in geweldige teams te hebben gewerkt. Het schrijven en uitzetten van de rode draad zelf doe ik meestal in mijn eentje, maar daarna volgt altijd weer overleg. Op dit moment schrijf ik minder aan uitleg en opgaven zelf, maar ben ik vooral bezig met het uitdenken van de kaders, de leerlijnen en de daarbij behorende indeling in lessen en doelen.

 Een volle werkweek

Als zelfstandig vakdidacticus werk ik full-time, wat met mijn passie voor wat ik doe neerkomt op meer dan 40 uur per week. Op dit moment besteed ik het grootste deel van mijn week aan het werk voor de twee uitgevers waaraan ik verbonden ben: Zwijsen en Studyflow.

De opdrachtgevers

Bij Zwijsen en Studyflow heb ik door de jaren heen aan verschillende projecten gewerkt. Ik vind het prettig om verbonden te zijn aan slechts een beperkt aantal opdrachtgevers. Zo bouw je een goede band op en weet je ook wat je aan elkaar hebt. Nieuwe opdrachtgevers komen meestal op mijn pad via mijn netwerk, acquisitie doe ik daar eigenlijk nooit voor.

Van papier naar digitaal

Wat dat betreft leven we vakdidactisch en onderwijskundig in een interessante tijd. Wat ik vooral interessant vind is om ICT de juiste plek in het onderwijs te geven. ICT geeft ons mooie en nieuwe mogelijkheden, maar het heeft ook zijn beperkingen. Het moet een middel blijven en geen doel op zich. Een uitdaging ligt in het vinden van een balans tussen het gebruik van digitale middelen en de rol van het samen leren met medeleerlingen en docenten.  Inhoudelijk betekent de digitalisering van de samenleving bovendien veel voor mijn vakgebied. En daaruit zal ook een verschuiving in leerinhouden en focus moeten komen. Die combinatie, nadenken over hoe het onderwijs er inhoudelijk en qua vorm uit moet zien om leerlingen daarop voor te bereiden, vind ik geweldig.

 Waarom educatief schrijven zo leuk is

Onderwijs heeft een belangrijke rol in hoe onze maatschappij eruit ziet. Hoe kun je de volgende generaties voldoende bagage mee geven om zich daarin te redden? En dat niet alleen. Ook voldoende bagage om bij te dragen, om de maatschappij mee vorm te gaan geven, om te zorgen voor onze wereld. Daar probeer ik op allerlei manieren aan bij te dragen. Het werken aan een educatief product betekent voor mij dat ik mijn ideeën concreet kan maken, ze te vertalen naar de praktijk. Het betekent andersom ook dat ik mijn ideeën kan testen: klopt het wat ik denk en is het haalbaar?

 Te veel perfectionisme?

Echt vervelend is het niet, maar soms even lastig: mijn perfectionisme en leergierigheid. Dat betekent dat ik in retrospect altijd zie hoe het anders of nog beter had gekund en soms te weinig geniet van wat we als team hebben neergezet.

Mijn tip

Ik heb niet zozeer een tip, als wel een wens voor alle mensen in het onderwijs. Mijn hoop is dat we nog meer vanuit ons hart kunnen en gaan lesgeven. Dat we daarbij ondersteuning kunnen vinden in vakdidactische ideeën die toegankelijk zijn gemaakt. Dat we naar kinderen in hun volle ‘zijn’ kijken. En dat we kritische denkers zijn en leerlingen ruimte geven dat te zijn of te worden. Als tip zou ik mee willen geven dat, als je werkt vanuit je passie en uit liefde voor het vak en de leerlingen, dit een hele goede basis is om geweldige producten te maken.

 

De winden in onderwijsland

Kennis en vaardigheden

Het is al weer meer dan veertig jaar geleden dat ik tijdens mijn opleiding tot leraar geschiedenis kennismaakte met de onderzoekende methode. Vanwege mijn in de jaren 1960 gevormde antiautoritaire houding sprak me dat erg aan. Belangrijk was ook de ambitie van deze methode om leerlingen vaardigheden te laten ontwikkelen, zoals kritisch omgaan met informatie, naast het ontwikkelen van kennis. Geschiedenis werd daardoor een denk-en-doevak in plaats van een reproductievak.

In de jaren dat ik les gaf in het voortgezet onderwijs, ontstond onder leraren geschiedenis een stevige stammenstrijd tussen voorstanders van kennis en voorstanders van vaardigheden. Voor de laatste groep verscheen vanaf 1978 de methode Sprekend verleden van Leo Dalhuisen c.s., waaraan ik zo’n tien jaar later als beginnend educatief auteur een bijdrage leverde.

Door met van alles te experimenteren in de klas, zag ik steeds beter in dat het bij geschiedenis zou moeten gaan om een combinatie van kennis én vaardigheden. Hoewel methodes in de jaren 1980 steeds meer met werkboeken op de markt kwamen, ontbraken daarin opdrachten waarin dít verband goed werd gelegd. Het schrijven van deze opdrachten werd dan ook een van mijn ambities toen ik met collega’s begon aan de methode Sporen (Wolters-Noordhoff, vanaf 1990). En ik was blij toen in de jaren 1990 een eind kwam aan de genoemde stammenstrijd door de invoering van kerndoelen, waarin kennis én vaardigheden verplicht werden gesteld.

Don’ts en do’s voor leermateriaalmakers

Aan dit verleden moest ik denken toen ik op 8 januari j.l. in NRC in een uitgebreid artikel las dat ‘de felle methodestrijd in rekenen en taal’ voorbij is. Ik merkte dat het artikel ook op andere vakken van toepassing is, als bijvoorbeeld word gesteld: ‘Uit onderzoek blijkt dat de leraar kennis en kunde moet bijbrengen. Dit in tegenstelling tot het ontdekkend leren’. Hierbij wordt ook Paul Kirschner geciteerd, die ons in zijn lezing tijdens de Dag van de Educatieve Auteur zo indringend wees op de don’ts en do’s voor leermateriaalmakers. Zo wijst hij erop dat het kortetermijngeheugen maar beperkt is. ‘Als een leerling zonder voorkennis een probleem moet oplossen, raakt dat geheugen overbelast.’ Anderen wijzen op de omslachtigheid van deze methode.

Het NRC-artikel maakt duidelijk dat leerlingen bij alle vakken eerst kennis moeten ontwikkelen, om deze vervolgens te kunnen toepassen. En dat directe instructie met veel feedback daar een belangrijk element in is.

Het NRC-artikel gaat ook in op de rol van ‘lesboeken’ en vermeldt onder meer dat zeker een derde van de nieuwe schoolbestellingen van nieuwe rekenboeken bestaat uit de methode Getal en ruimte Junior, ‘met rijen traditionele oefensommen met getallen’. Dat educatieve auteurs deze methode in elkaar hebben gezet, wordt niet vermeld. En dat lijkt me terecht. Als iets aan een methode mankeert, wordt de uitgever er in de eerste plaats op aangesproken, net als autofabrikanten. Het de taak van educatieve auteurs om op de achtergrond te anticiperen op de draaiende winden in onderwijsland, net als auto-ontwerpers dat moeten in autoland. Dat behoort tot hun professionaliteit.

Tom van der Geugten

Vleugels om te vliegen

Oorzaak en gevolg, een netelige kwestie, waarbij het vaak mis kan gaan. Je zult niet de eerste of de laatste zijn die de vraag krijgt: ‘Waarom hebben vogels vleugels?’. Je zult zeker ook niet de enige zijn die antwoordt: ‘Om te vliegen.’ Je bent wel een van de weinigen als je vervolgens denkt: ‘Nu draai ik oorzaak en gevolg om’. Velen realiseren zich dit niet. De vraag zelf is al dubieus, maar dat kun je verwachten van kinderen, zeker als je bedenkt dat ook veel volwassenen op deze manier naar hun omgeving kijken. De gedachte erachter is dat er iemand of iets bedacht heeft dat het leuk zou zijn als er vogels zijn. Dat is een normale reactie van ons mensen: dingen gebeuren omdat iemand iets doet of gedaan heeft.

Vogels hebben geen vleugels om te kunnen vliegen, maar ze kunnen vliegen omdat ze vleugels hebben. Oorzaak en gevolg zijn omgedraaid. Het gebeurt vaak in de dagelijkse praktijk van het lesgeven, tussendoor in de les en zelfs in lesmateriaal. Op internet kwam ik tegen: ‘Volwassen amfibieën hebben longen, jongen (van amfibieën, red) hebben kieuwen om te ademen. De jongen moeten dus in het water leven terwijl de volwassen dieren ook het land op kunnen.’ Zelfs in de bovenbouw van het vwo kan het fout gaan. In een nieuw biologieboek staat: ‘Door een verandering van leefomgeving evolueerden ledematen van gewervelde dieren: zwemmen werd lopen.’ Een leek leest hier al snel dat bij gewervelden ledematen ontstonden doordat ze zich op het land bevonden. Als vissen op het land komen gaan ze dood en kunnen ze niet eerst nog even ledematen krijgen. Ledematen ontstonden in zee en niet op land.

Wat overigens te denken van een leraar die vertelt dat de plant het zonnetje zo fijn vindt, want dan kan hij veel voedsel maken, of vissen die graag in het water zwemmen. Vaak is er niets mis mee om dieren menselijke eigenschappen toe te dichten, zolang je je er maar bewust van bent. Kinderen zijn dat vaak niet en dan is het later lastig om het weer af te leren. Door onzorgvuldig taalgebruik ontstaan maar al te makkelijk misconcepten, die bijkans onmogelijk zijn af te leren. Als educatief auteur moet je nadenken over oorzaak en gevolg en opletten wanneer je gebruik maakt van antropomorfismen.

Onno Kalverda

Alles over Wikiwijs (4)

Het wordt tijd om eens naar de inhoud van Wikiwijs te kijken, naar een voorbeeld van het leermateriaal dat er te vinden is. In een volgende aflevering in deze reeks zal ik heel specifiek gaan kijken naar wat er te vinden aan materiaal over een aantal onderwerpen uit de natuurkunde waar ik zelf als educatief auteur mee bezig ben geweest. In deze aflevering neem ik twee bijdragen onder de loep die in maart-april 2017 werden ingestuurd toen Wikiwijs een wedstrijd had uitgeschreven.

Open Education

Die wedstrijd was uitgeschreven door Kennisnet, het onderwijsplatform waar Wikiwijs al een tijd onder valt, in het kader van de Open Education Week. Van die Week had ik nog nooit gehoord. Er blijkt een website van te zijn (https://www.openeducationweek.org/) en als je daar rondneust, ontdek je dat er een Open Education Consortium (OEC) bestaat waarover van alles te lezen is op de site http://www.oeconsortium.org/. Daar ontdekte ik dan weer dat 2017 het ‘Year of Open’ was (zie www.yearofopen.org) en dat er in april dit jaar in Delft de Open Education Global 2018 Conference wordt gehouden. Er blijkt dus een wereldwijde, al jaren actieve club te zijn op het gebied van ‘open educational resources’ (OER) en ik wist dat tot voor kort nog niet… Tijdens het neuzen op de site van Wikiwijs was ik daar niet achter gekomen.

Wikiwijs is trouwens geen lid van het Consortium, voor zover ik kan overzien. Misschien komt dat doordat de focus bij het Consortium meer buiten het PO en VO lijkt te liggen. Zo is een van de ‘sustaining members’ van het OEC de TU Delft, die bekend staat om zijn pioniersrol op het gebied van MOOC’s (Massive Open Online Courses) en die zijn gericht op het Hoger Onderwijs. De Vlaamse equivalent van Wikiwijs, KlasCement (waarover in een andere aflevering meer), is trouwens wel lid van het OEC.

Winnaar 1: drijven

Terug naar de Wikwijs-wedstrijd. In mei werden de winnaars bekend gemaakt: https://www.wikiwijs.nl/lesmateriaal/winnaars-wedstrijd-open-education-week/ . Die tien winnaars waren gekozen uit alle inzendingen die waren binnengekomen in de periode maart-april. Ik zal twee inzendingen kritisch bekijken. Ik verklap nu alvast dat ik niet zo enthousiast ben over beide en dat ik mede hierdoor het vermoeden heb gekregen dat die tien winnende inzendingen ook (bijna) alle inzendingen uit de genoemde periode waren. Ik wil zeker niet beweren dat deze twee lessenseries op Wikiwijs alles zeggen over de kwaliteit van het leermateriaal dat er te vinden is, maar het maakt in elk geval duidelijk dat er materialen nu te makkelijk op de site komen en dat een extra eindredactieronde nodig is.

Esther van Holland won een cadeaubon met haar bijdrage die ze de nogal ruime titel ‘Natuur en techniek’ had meegegeven. Het blijkt een zogenaamde webquest te zijn en de bedoeling is dat leerlingen de vragen beantwoorden nadat ze tijdens een eerdere les drie proeven hebben gedaan. Om welke doelgroep het precies gaat, dat wordt helaas niet duidelijk. Wat wel duidelijk wordt is, dat Esther moeite heeft met de d’s en de t’s.

Het idee achter deze webquest lijkt te zijn dat leerlingen op basis van bronnen op internet (teksten, filmpjes) gaan begrijpen wat er gebeurde (of had moeten gebeuren…) tijdens de proeven en waarom. De leerlingen wordt niet eerst gevraagd zelf een verklaring te geven voor de verschijnselen die ze hebben gezien en dat vind ik jammer.

Proefje 1 gaat over het verschijnsel dat een laag olie blijft drijven op een laag water. Het Amerikaanse filmpje dat in de webquest getoond wordt, laat de proef duidelijk zien. Het voordeel van het toevoegen van zo’n filmpje kan zijn dat het geheugen van leerlingen wordt opgefrist (misschien deden ze de proef al een week of langer geleden) en ook leerlingen die de proef niet konden doen, weten nu om welk verschijnsel het gaat. Bij deze proef worden drie links naar bronnen op internet gegeven. En dan begint volgens mij de ellende. Allereerst is het de vraag of de leerlingen wel eerst alle drie de bronnen gaan doorlezen en afwegen. In elke bron wordt namelijk het accent op de uitleg van het drijven van olie op water net even anders gelegd. Bij de eerst gaat het vooral over dichtheid, maar de tekst is geschreven door Pabo-studenten zonder natuurkundige achtergrond en hun verhaal wordt veel te wijdlopig en af en toe ook te weinig exact. De tweede bron is een tekstje van een hoogleraar voor kinderen en hij meldt onder meer dat “olie lichter is dan water” waarbij hij het begrip dichtheid mijdt. Ik vermoed dat de docent graag wel een uitleg van de leerlingen verwacht met de term ‘dichtheid’ erin, en het is dan de vraag of de leerlingen zullen volstaan met “olie is lichter dan water” of dat ze ook nog een beetje nadenken over wat met ‘dichtheid’ wordt bedoeld. Bron drie probeert uit te leggen waarom olie niet mengt met water: dat heeft te maken met elektrische lading. Maar bron 2 had een andere verklaring: oliemoleculen blijven graag bij elkaar (wat een nogal vage verklaring is uiteraard) en gaan niet tussen de watermoleculen zitten. Welke van deze twee verklaringen gaan de leerlingen kiezen? Of hebben ze helemaal niet door dat hier twee verschijnselen een rol spelen: drijven en niet-mengen?

Meer algemeen komt dan bij mij de vraag op: gaan deze leerlingen zelf een antwoord formuleren op basis van de bronnen of schrijven ze domweg een paar zinnen uit die bronnen over, zonder dat ze (precies) begrijpen wat er in die zinnen staat? Ik denk dat de maker van de webquest hierin meer sturend moet optreden, of in elk geval zal de docent die deze klas aan het werk zet met de webquest een aantal instructies moeten geven.

Bij de opdracht voor proefje 2 blijkt het filmpje niet meer te werken. Dat is een bekend probleem wat ook uitgevers van schoolboeken nogal eens hoofdbrekens bezorgt: zorgvuldig uitgekozen links in het digitale leermateriaal werken niet meer! De maakster van deze webquest had, zo mogelijk, beter twee ongeveer dezelfde filmpjes moeten tonen. Of zij had elk half jaar eens moeten checken of alles nog werkte… Gelukkig is er nog een bron gegeven bij deze proef waarbij op foto’s te zien is, wat er tijdens de proef had moeten gebeuren. En in deze bron staat ook de verklaring voor het waargenomene. Als ik die verklaring lees, dan klinkt die heel plausibel maar tegelijk vraag ik me af of ik hem zelf had kunnen bedenken. En ik heb toch al heel wat ervaring met natuurkundige proefjes… Ik vrees dat leerlingen hier simpelweg een paar zinnen uit de bron overnemen en dan is de vraag: hebben ze iets geleerd?

Bij proefje 3 werkt het filmpje gelukkig wel en worden twee bronnen gegeven. Als de leerlingen alleen bron 1 gebruiken, wordt hun uitleg vrij simpel en zullen ze geen termen als ‘hydrofoob’ gebruiken. Als ze zich baseren op bron 2, dan kan hun uitleg veel specifieker zijn en komen ze wel een paar vaktermen tegen. Wat verwacht de maker van de webquest hier? Dat weet ik niet maar ook hier had zij meer sturend kunnen optreden. Bijvoorbeeld door te eisen dat die en die termen in de uitleg moet zitten. Of door te eisen dat alle gegeven bronnen gebruikt worden. Of door leerlingen zinnen te laten aanvullen.

Nadat de drie proefjes in de webquest aan bod zijn gekomen, volgt een eindopdracht: maak een presentatie, poster of verslag van wat je allemaal gevonden hebt. Als die allemaal klaar zijn, is er hopelijk nog tijd voor de docent om samen met de klas enige misconcepties te bespreken… Er is geen docentenhandleiding bij dit materiaal.

Winnaar 2: milieu

De tweede inzending die ik bespreek gaat over onderwerpen buiten mijn eigen vakgebied (de natuurkunde) maar ik kijk dit keer niet zozeer naar de inhoud maar vooral naar de opzet van het materiaal. Het betreft een ‘Xpierence [zo staat het er…] Mens en Milieu’ van Marloes Kemna, bedoeld – zo leid ik af uit het bronmateriaal – voor een vmbo-klas. Er is een korte en vrij heldere inleiding. Alleen jammer dat er een tikfout in staat die verwarring kan scheppen: “Met goede keuzes zorgen we voor een stabiel klimaat waarin dieren en planten net uitsterven …”.

Er is een lesplanner waarin duidelijk staat aangegeven wat de leerlingen in de zes lessen gaan doen en wat zij als huiswerk moeten doen (er staat trouwens niet bij hoe lang die lessen geacht worden te duren). Daarna krijgen de leerlingen een te downloaden stuk tekst van zeven pagina’s waarvan er vier de theorie van het thema ‘ecosystemen’ bevatten. Verder is er een inleiding die vrijwel hetzelfde is als de inleiding die al op het scherm verschenen is, een hele lange lijst met leerdoelen en een lijstje met “jenaplan essenties”. Of de leerlingen in die twee lijstjes geïnteresseerd zijn – en of ze dus nuttig zijn – dat vraag ik me af. De opmaak van de theorietekst is zoals die in de meeste schoolboeken. Af en toe is een belangrijk woord blauw gemaakt en er zijn een paar plaatjes. Filmpjes zijn niet opgenomen in de theorie, terwijl dat hier natuurlijk goed mogelijk was geweest.

Dan komen de opdrachten. De leerlingen blijken een debat te moeten voeren. Dat moet volgens de planning al in les 1 gebeuren, nadat de leerlingen alleen nog maar geacht worden de leerdoelen te hebben gelezen. Er zijn maar liefst zeven stellingen waarover gedebatteerd moet worden en elk groepje wordt geacht over elke stelling een mening te hebben gevormd voordat het debat begint. Die mening moet gebaseerd zijn informatie die ze zelf gevonden hebben. Ik neem aan dat daartoe gezocht wordt op internet en dan is de vraag: waar gaat een leerling zoeken als hij bijvoorbeeld iets wil gaan zeggen over deze stelling: “Jongeren kunnen weinig doen om klimaatverandering tegen te houden”? Er wordt trouwens niet gezegd dat sommige groepjes een stelling moeten verdedigen en andere die moeten aanvallen. Dan is het nog maar de vraag of er echt een debat op gang komt… Ik denk ook dat de kwaliteit van het debat afhangt van de hoeveelheid ervaring die de leerlingen al hebben opgedaan met debatteren.

Daarna komt een set van zes opdrachten die als overkoepelende titel hebben: Ontwerp je eigen Utopia-planeet. Bij elke opdracht staat aangegeven hoeveel tijd eraan besteed mag worden. Een deel van de theorie die in het gedownloade bestand stond, komt weer terug tussen de zes opdrachten door; er worden ook een paar links gegeven naar informatie op internet. De leerlingen moeten overigens ook nog een logboek bijhouden en aan het einde moeten ze een verslag gereed hebben met daarin niet alleen hun antwoorden bij de opdrachten maar ook een inleiding, het logboek, een bladzijde reflectie en een lijstje met bronnen. Toe maar. Wat er nu precies in die inleiding en reflectie moet komen te staan, dat staat er niet bij en dat lijkt me hier wel zinvol. Maar het kan zijn dat deze les bedoeld is voor leerlingen die hier al ervaring mee hebben.

Tot slot volgt nog de lijst met beoordelingscriteria en puntentelling die de docent hanteert voor de beoordeling en een ‘test jezelf’ die op de computer ingevuld kan worden (vooral meerkeuzevragen) en die naar de docent gestuurd mag (niet moet) worden en dan nagekeken wordt en voorzien van commentaar wordt teruggegeven aan de leerling. Aan het einde wordt de leerlingen nog gevraagd een kort evaluatieformulier in te vullen over de lessenserie en kunnen de leerlingen nog twee bijlagen bekijken over fotosynthese (leuk filmpje) en voedselkringlopen (alleen een plaatje, geen tekst). Hoe die bijlagen ingezet zouden kunnen worden en wanneer, dat wordt niet uitgelegd. Er zijn ook verder geen instructies voor de docent gegeven.

Fons Alkemade