Nieuws

De winden in onderwijsland

15 januari 2018

Kennis en vaardigheden

Het is al weer meer dan veertig jaar geleden dat ik tijdens mijn opleiding tot leraar geschiedenis kennismaakte met de onderzoekende methode. Vanwege mijn in de jaren 1960 gevormde antiautoritaire houding sprak me dat erg aan. Belangrijk was ook de ambitie van deze methode om leerlingen vaardigheden te laten ontwikkelen, zoals kritisch omgaan met informatie, naast het ontwikkelen van kennis. Geschiedenis werd daardoor een denk-en-doevak in plaats van een reproductievak.

In de jaren dat ik les gaf in het voortgezet onderwijs, ontstond onder leraren geschiedenis een stevige stammenstrijd tussen voorstanders van kennis en voorstanders van vaardigheden. Voor de laatste groep verscheen vanaf 1978 de methode Sprekend verleden van Leo Dalhuisen c.s., waaraan ik zo’n tien jaar later als beginnend educatief auteur een bijdrage leverde.

Door met van alles te experimenteren in de klas, zag ik steeds beter in dat het bij geschiedenis zou moeten gaan om een combinatie van kennis én vaardigheden. Hoewel methodes in de jaren 1980 steeds meer met werkboeken op de markt kwamen, ontbraken daarin opdrachten waarin dít verband goed werd gelegd. Het schrijven van deze opdrachten werd dan ook een van mijn ambities toen ik met collega’s begon aan de methode Sporen (Wolters-Noordhoff, vanaf 1990). En ik was blij toen in de jaren 1990 een eind kwam aan de genoemde stammenstrijd door de invoering van kerndoelen, waarin kennis én vaardigheden verplicht werden gesteld.

Don’ts en do’s voor leermateriaalmakers

Aan dit verleden moest ik denken toen ik op 8 januari j.l. in NRC in een uitgebreid artikel las dat ‘de felle methodestrijd in rekenen en taal’ voorbij is. Ik merkte dat het artikel ook op andere vakken van toepassing is, als bijvoorbeeld word gesteld: ‘Uit onderzoek blijkt dat de leraar kennis en kunde moet bijbrengen. Dit in tegenstelling tot het ontdekkend leren’. Hierbij wordt ook Paul Kirschner geciteerd, die ons in zijn lezing tijdens de Dag van de Educatieve Auteur zo indringend wees op de don’ts en do’s voor leermateriaalmakers. Zo wijst hij erop dat het kortetermijngeheugen maar beperkt is. ‘Als een leerling zonder voorkennis een probleem moet oplossen, raakt dat geheugen overbelast.’ Anderen wijzen op de omslachtigheid van deze methode.

Het NRC-artikel maakt duidelijk dat leerlingen bij alle vakken eerst kennis moeten ontwikkelen, om deze vervolgens te kunnen toepassen. En dat directe instructie met veel feedback daar een belangrijk element in is.

Het NRC-artikel gaat ook in op de rol van ‘lesboeken’ en vermeldt onder meer dat zeker een derde van de nieuwe schoolbestellingen van nieuwe rekenboeken bestaat uit de methode Getal en ruimte Junior, ‘met rijen traditionele oefensommen met getallen’. Dat educatieve auteurs deze methode in elkaar hebben gezet, wordt niet vermeld. En dat lijkt me terecht. Als iets aan een methode mankeert, wordt de uitgever er in de eerste plaats op aangesproken, net als autofabrikanten. Het de taak van educatieve auteurs om op de achtergrond te anticiperen op de draaiende winden in onderwijsland, net als auto-ontwerpers dat moeten in autoland. Dat behoort tot hun professionaliteit.

Tom van der Geugten