Nieuws

Leren wat en feit is

15 september 2017

Door Tom van der Geugten

Gamers en naspelers

Nederland telt zes miljoen gamers, met een gemiddelde leeftijd van 25 jaar. Dat leerde ik op 25 augustus j.l. van de lezing van professor Maria Grever (Erasmus Universiteit Rotterdam) tijdens de Historicidagen in Utrecht. Ik nam deel aan dit congres ‘Geschiedenis nu’ om me te laten inspireren voor de geschiedenismethode waarvoor ik schrijf. Grever vertelde dat spelers van games over de Tweede Wereldoorlog vooral veel bezig zijn met, en daardoor leren over het gebruik van wapens in gevechten tegen vijandelijke soldaten, terwijl geweld tegen burgers er zelden in voorkomt. En laat dát nu net één van de verplichte onderwerpen zijn in het voortgezet onderwijs.

Terwijl ik me bedacht dat ik als educatief auteur niet zo selectief kan omgaan met het verleden, vertelde Grever over nog een ander manier met een groeiende populariteit om over geschiedenis te leren: reenactment. Op vele plaatsen in binnen- en buitenland ‘beleven’ grote aantallen liefhebbers het verleden door het heel serieus na te spelen, liefst op locatie met historische attributen. Maar ook daarbij permitteren spelers zich kennelijk enige vrijheid, zoals tijdens het grootschalig naspelen in 2015 van de Slag bij Waterloo, waarbij de tienduizenden spelers in uniformen van de diverse landen de nagespeelde Napoleon toejuichten. Dat klopte toch niet echt met het feitelijk verloop van die historische gebeurtenis in 1815.

Feitelijke juistheid

Doen historische feiten er nog wel toe? Thuisgekomen las ik in NRC-Handelsblad een artikel waarin de feitelijke juistheid van het onlangs verschenen boek Oorlogsouders (2017) van Isabel van Boetzelaer ter discussie wordt gesteld: ‘Natuurlijk mag iemand wier vader ‘fout’ was in de oorlog een boek schrijven. Ze mag ook proberen begrip te kweken voor zijn daden. Maar het is iets anders als ze daarbij ongemakkelijke feiten verzwijgt en plezierige feiten opschrijft zonder zich af te vragen of die wel kloppen. Het wordt ronduit problematisch als zo’n boek vervolgens door recensenten, journalisten en deskundigen wordt geprezen als moedig en eerlijk. Dat de schrijfster een tournee maakt langs schoolklassen en wordt uitgenodigd om een lezing te geven in Westerbork.’

Volgens de onderzoekers Chaja Polak en Hans Fels is de schrijfster ‘niet eerlijk’ en ‘manipuleert’ ze. Polak: ‘Het is echt niet meer moedig om hardop te zeggen dat je vader fout was. Het is pas moedig als je uitzoekt wat hij precies heeft gedaan. Dat heeft Van Boetzelaer aantoonbaar niet gedaan.’

Maar de schrijfster ontkent dat ze geprobeerd heeft iets te verdraaien en al helemaal iets goed te praten. ‘Ik ben geen geschiedkundige.’

Verleden en heden

We leven in een tijd waarin sommige mensen harder gaan praten om gelijk te krijgen, vooral als ze geen gelijk hebben. Genoemd congres en artikel hebben me weer eens gewezen op mijn verantwoordelijkheid als auteur van schoolboeken voor geschiedenis. Ik mag geen onwaarheden verkondigen, zoals de feitelijke onjuistheid dat middeleeuwers gedacht zouden hebben dat de aarde plat is, of dat Maarten Luther stellingen op een deur zou hebben gespijkerd.

Ik moet controleren of de dingen die ik wel schrijf, feitelijk kloppen. Maar wat ik vooral ook moet doen is leermateriaal aanbieden waarmee leerlingen kunnen leren wat een feit is en hoe ze een feit kunnen onderscheiden van meningen, verzinsels, halve waarheden, ‘alternatieve feiten’ en andere vormen van nep. En daarom vind ik dat een mooi beroep heb, als educatief auteur.